Bevrijding
op 15 augustus 1945
In het Halmaheirakamp, midden Java, aan de voet van de Oengaran, had niemand een radio dus we konden alleen maar
hopen dat we er ooit levend uit zouden komen.
Dagelijks
kwam een dogcar het kamp in met schaarse (zeer
schaarse) voedselartikelen voor de ongeveer 2000 personen die er nog leefden.
Op een dag echter was het paardje van de dogcar
versierd met rood-wit-blauwe bloemen achter zijn oor;
de man die ernaast liep, keek ons wel indringend aan maar zei niets. We mochten
immers geen contact hebben met de inheemse bevolking! Het gonsde van geruchten
maar niemand durfde openlijk vragen te stellen.
Toen
klonk vliegtuiggeronk, steeds luider klonk het en ja, daar vloog een vliegtuig
boven het kamp met een rood-wit-blauwe vlag. De vrouwen
reageerden hysterisch, er werd gehuild, geschreeuwd, gebeden en gejuicht! Mijn
moeder kon helemaal niet meer lopen maar sprong in haar enthousiasme van het
stapelbed, dat het laatste jaar ons verblijf was geweest.
Ze hield
er een tropenzweer aan over maar dat was niet belangrijk, wij waren vrij, we
hadden de kampellende overleefd! En toen begon de ruilhandel aan het gedek (de afscheiding tussen gevangen en de mensen
erbuiten, die het ook heel moeilijk hebben gehad, zoals we merkten).
Buiten
stonden mensen met kippen, olie en andere etenswaren waar wij nog alleen maar
van hadden kunnen dromen en wij hadden kleren die ons veel te wijd
waren geworden. Ik heb gezien dat één vrouw spontaan haar jurk uitdeed toen aan
de andere kant van de bamboe-omheining iemand met een
mooie soepkip zwaaide en op haar jurk wees.
Tijdens onze laatste dagen in het kamp toen we wisten dat we
teruggingen naar Soerabaya,
hadden
we alles weggegeven wat we niet konden meenemen. Wij vonden het heerlijk om de
verbaasde, blije gezichten te zien van de kinderen aan de andere kant van de bamboe-omheining toen ze begrepen dat deze spullen echt ‘gratis’waren.
Ze renden
ermee weg en kwamen terug met hun moeders/grootmoeders die ons uitnodigden bij
hen te komen eten. Daar hebben we gehoord hoe erg het was voor Indische mensen
die niet het kamp in moesten. Zij waren heel aardig en stonden erop ons een
gietijzeren wadjan mee te geven ter herinnering. Nu, zo’n 60 jaar later, heb ik
hem nog in gebruik in de keuken, geërfd van mijn moeder. Mijn dochter erft hem
straks weer van mij!
Door die
tropenzweer mochten wij in een van de eerste treintransporten naar Soerabaya.
Ditmaal geen goederentrein maar wel oncomfortabel maar we waren vol
hoop en verwachting. Maar het zou nooit meer zo worden als het was. Indië
was Tempo Doeloe geworden. Oorlog maakt alleen maar
verliezers.
Hedda
van Rozelaar