DEN HAAG, 23 maart 2007 - Japan staat nog steeds achter de officiële
verklaring uit 1993 over de zogeheten troostmeisjes in de Tweede Wereldoorlog.
Dat zei de Japanse ambassadeur in Nederland gisteren tegen minister Verhagen
(Buitenlandse Zaken, CDA). Verhagen nam genoegen met de uitleg. In 1993
betuigde Japan „diepe spijt” over Japans ‘handelingen
uit het verleden, waaronder agressie en kolonialisme’.
Verhagen had de ambassadeur ontboden omdat de Japanse premier Abe onlangs zei
dat er geen bewijs is dat de troostmeisjes, onder wie ook Nederlandse vrouwen,
waren gedwongen tot prostitutie.
Door onze correspondent Dick Stegewerns, NRC
Kyoto, 23 Maart. In de Japanse samenleving wordt de consensus
afgedwongen, zegt de jonge activiste Akiko Inari. „ Als je op internet kritiek uit over de wijze
waarop de regering de kwestie van de troostmeisjes benadert, word je overstelpt
met hatemail waarin je voor een Noord-Koreaanse
spion wordt uitgemaakt”, weet ze.
Akiko Inari maakt deel uit
van de afdeling Kyoto van het landelijke netwerk dat
gerechtigheid eist voor vrouwen die in de Tweede Wereldoorlog door het Japanse
leger werden misbruikt als seksslaven. Het netwerk is evenwel
niet erg omvangrijk. Ook in de Japanse media wordt nauwelijks aandacht meer
besteed aan de kwestie van de ‘troostmeisjes’.
Die aandacht was er in het verleden wel even. Begin jaren zeventig trok een
reportage over het lot van troostmeisjes grote belangstelling. Maar het effect
was van korte duur. „De gezichten en stemmen van de troostmeisjes bleven nog
verborgen. Ook het idee dat hier sprake was van grove schending van
mensenrechten was nog volkomen afwezig”, zegt de publiciste
Rumiko Nishino.
Iedereen in Japan was al lang op de hoogte van het bestaan van de
‘afwerkbarakken’ voor soldaten, zegt Nishino, die de
afgelopen twee decennia veel heeft geschreven over het onderwerp. „Op school en
thuis werd er over gezwegen. Maar in naoorlogse films, strips en boeken kwamen
gewoon troostmeisjes voor. Het algemene beeld bleef echter dat van gewone
prostituees.”
In de jaren ’90 voltrok zich een omslag.
De getuigenissen van een aantal voormalige Koreaanse troostmeisjes trokken in
1991 internationaal grote aandacht. Ook in Japan kwam het ‘vergeten’ onderwerp
naar boven. Enkele slachtoffers kwamen naar Japan om hun verhaal te vertellen.
Vooral vrouwen toonden medeleven. Mede onder de groeiende buitenlandse druk
besloot de Japanse regering in 1993 om officieel
verontschuldigingen aan te bieden voor het leed dat was berokkend door toedoen
van het Japanse leger. Er werd zelfs een fonds voor schadeloosstelling
opgericht – hoewel dat formeel onder particulier toezicht staat. En in 1997
werden de misdaden tegen de troostmeisjes opgenomen in alle geschiedenisboeken
op school. Toen kwam echter de grote kentering – onder invloed van
revisionistische historici die hun stem verhieven tegen wat zij de
‘zelfvernederende geschiedschrijving’ noemen.
Ook jonge parlementariërs binnen de
dominante regeringspartij LDP benadrukten het belang van patriottisme. „Binnen
deze groep had de huidige premier Shinzo Abe het
voortouw”, vertelt activiste Inari. „Op zijn homepage
viel zelfs te lezen dat de kwestie van de troostmeisjes alleen is bedoeld om de
aandacht af te leiden van de misdaden van Noord-Korea.” De meest succesvolle
agitator was echter de stripschrijver Yoshinori Kobayashi. Zijn trilogie Over Oorlog wist hele jonge generaties te vangen voor een herinterpretatie
van Japans aandeel in de Tweede Wereldoorlog als een nobel streven ter
bevrijding van Azië. Kazuyuki Nagai,
taaldocent in Osaka, is daardoor beïnvloed. „Er was
geen sprake van dwang door het leger. De troostmeisjes zijn niet geronseld. Ze
zijn verkocht door hun ouders, maar durven dat harde feit niet onder ogen te
zien.” Sinds twee jaar geleden vermelden de schoolboeken de troostmeisjes niet
meer. Overgebleven is slechts de algemene formulering van ‘de grote schade die
Japan tijdens de oorlog heeft toegebracht aan velen, onder wie vrouwen en
kinderen’.
Er is geen geschiedenisdocent die wil
vertellen of en hoe de kwestie in de klas aan bod komt. De onderwijscommissie
die de schoolboeken voor de stad Kyoto selecteert en
de leerdoelen vaststelt, meldt dat er niet apart aandacht wordt geschonken aan
de troostmeisjes. „Er is een groot tijdgebrek en de moderne tijd wordt sowieso
afgeraffeld”, zegt een lerares. Toch zijn veel mensen wel op de hoogte van het
lot van de troostmeisjes. „Ik was geschokt toen ik voor het eerst van het
bestaan van troostmeisjes hoorde”, zegt bankemployee Kazuko
Morita. „Ook al valt niet alles meer te bewijzen, hun
moed in het openbaar over hun pijnlijke ervaringen te praten, spreekt
boekdelen. Dat mag je niet afdoen als leugens.” De jonge welzijnswerker Kenichiro Okabe vergelijkt de
houding van de regering met die van Noord-Korea in de slepende kwestie van door
Pyongyang ontvoerde Japanse burgers. „Het geeft geen
pas domweg te herhalen dat de kwestie is afgehandeld, terwijl dat overduidelijk
niet het geval is.”
Veel scholieren weten echter van niets.
Een meisje van zestien kwam het onderwerp vorige maand toevallig tegen in een
naslagwerk. „Het was niet goed”, oordeelt ze, terwijl ze door blijft giechelen
met haar vriendin. Actievoerster Inari zegt dat de
media medeverantwoordelijk zijn voor de lethargie. „Sinds de ruk naar rechts
onder [de vorige premier] Koizumi zijn de media als de dood om als links, pro-China of pro-Korea te worden
afgeschilderd”, zegt ze. „De kwestie van de troostmeisjes lijkt zelfs helemaal
taboe geworden.”
Dat verklaart wellicht waarom de recente
uitlatingen van premier Abe over het ontbreken van bewijs, in eigen land amper
werden vermeld. „Bijna alle televisiezenders zijn commercieel. De kwestie
schrikt adverteerders af”, legt medeactivist Toshiya Morita uit. Ook de grote kranten houden zich afzijdig.
Alleen de Okinawa Times
besteedde in 2005 aandacht aan de opening van het ‘troostmeisjesmuseum’ in
Tokio. „We moeten het hebben van een of twee bevriende journalisten”, verzucht Morita. „Het tij lijkt definitief gekeerd.”