Wie redt thuiszorg van
marktwerking?
Leen Verweij: wethouder van Barneveld
Het is mooi dat een parlementariër de
feilen van de thuiszorg blootlegt. Gemeenten willen liever actie.
Het Tweede Kamerlid
van de ChristenUnie, Esmé Wiegman-Van
Meppelen Scheppink, schetste in Trouw van vorige week
haar visie op de aanbestedingsprocedures van gemeenten rondom de thuiszorg die
nodig zijn nu sinds kort de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) is
ingevoerd.
Wiegman somde op dat die aanbesteding veelal negatieve gevolgen heeft voor
thuiszorgorganisaties, de werkers in de thuiszorg en de zorgontvangers.
Bestaande, soms jarenlange, relaties tussen cliënten en thuiszorgers
worden ruw verbroken wanneer hun instelling te hoog biedt en buiten de gunning
valt. Alsof dit allemaal nog niet erg genoeg is, wist Wiegman ook nog te
vertellen dat de hele aanbestedingsprocedure voor zorgaanbieders veel geld en
energie kost, geld dat nu niet komt waar het hoort: bij de zorgvragers.
Nu hoef ik niet de krant te lezen om geïnformeerd te worden over de uitvoering
van dit specifieke onderdeel van de WMO. Als
wethouder (van de ChristenUnie!) ben ik belast met de WMO.
Daardoor ben ik nu ongewild aanbestedingsdeskundige en weet ik alles van de
verschuiving van meervoudige (in jargon HV2) naar eenvoudige zorg (HV1).
Niemand hoeft mij ervan te overtuigen dat de aanbestedingsprocedures, de
instelling van een WMO-raad, de realisering van een breed WMO-loket, enzovoort, bakken
vol geld en energie kosten. Om nog maar te zwijgen over de korte gedingen die
in den lande hierover zijn gevoerd. Het is jammer dat Wiegman vergeet dat het
niet alleen zorgaanbieders maar óók de gemeenten veel tijd en geld kost en het
nog zeer ernstig de vraag is of de gemeenten er niet zélf heel veel geld op
moeten toeleggen.
Maar het is voor de lezer goed om te weten dat niet de gemeenten ervoor hebben
gekozen om aanbestedingsprocedures te beginnen! Dat is de consequentie van de
besluitvorming over de invoering van de WMO in Den Haag. De Tweede Kamer zelf
heeft zich hiertegen niet willen verzetten. Wiegman is als lid van de Tweede
Kamer hier nu medeverantwoordelijk voor. Den Haag, en níet de gemeenten, heeft
de marktwerking in de thuiszorg er doorgedrukt. En het einde
van de triomftocht van de marktwerking is nog niet in zicht: ook bij
(re)integratieprojecten (het weer aan werk helpen van mensen) en het zoeken van
werk voor mensen met een arbeidshandicap, moeten gemeenten de
aanbestedingstrajecten in.
Het wordt nog ’mooier’ als Wiegman vertelt dat de uitvoering vooral een
bezuinigingsoperatie lijkt te zijn geworden. Als dat al zo is (het is na 100
dagen WMO natuurlijk nog veel te vroeg om de balans al te kunnen opmaken), is
opnieuw de vraag: wie is hiervoor dan in de eerste plaats verantwoordelijk? Zou
dat niet de Tweede Kamer kunnen zijn? Want als ik de mensen
beluister die bekijken voor welke hulp mensen in aanmerking komen, blijkt dat
zij helemaal niet anders indiceren maar dat er eenvoudigweg geen vrijheid meer
is om als zorgaanbieder af te wijken van de indicatie, zoals tot 1 januari 2007
nog schering en inslag was.
Ik had zo gehoopt toen ik begon te lezen, dat Wiegman in haar kersverse rol van
lid van de Tweede Kamer zou aangeven hoe zij de WMO-praktijk
wilde gaan verbeteren en wat zij vooral ziet als haar verantwoordelijkheid als
lid van de Tweede Kamer. Nu blijft ze steken in de ’complimentering’
van een klein deel de gemeenten die zo ’vindingrijk’ waren om in afwijking van
het door de wetgever beoogde marktmechanisme het Zeeuwse model uit te vinden.
En wat me ook van het hart moet is dat Wiegman principieel en vol overtuiging
zegt dat ze niet wil dat de overheid streeft naar de hoogst mogelijke
arbeidsparticipatie. Burgers moeten ervoor kunnen kiezen om niet al hun tijd
aan betaald werk te besteden maar ook aan informele zorg. Maar tot mijn spijt
lees ik niet hoe zij een bijdrage zou kunnen leveren aan de realisering van
deze prachtige idealen. Of kijken we dan weer vol verwachting naar de
gemeentelijke overheid, die weer zo creatief te moet zijn om met een oplossing
te komen. Want gemeenten staan immers zo dicht bij de burger!
Naar mijn bescheiden mening leveren de gemeenten topprestaties als het gaat
over de uitvoering van de wetgeving vanuit Den Haag. Er gaat in de thuiszorg
ondanks de grote veranderingen heel veel goed; het aantal klachten van
zorgvragers is tot nu toe klein. De zorgaanbieders doen er alles aan om in de
wereld van de marktwerking het hoofd boven water te houden en goede zorg te
leveren.
Ik hoop dat de Tweede Kamer het als haar dure plicht ziet om binnen een jaar op
zorgvuldige wijze haar eigen regelgeving kritisch te evalueren op
uitvoerbaarheid ervan in de praktijk, en daarbij uitvoerig bij de gemeenten te rade te gaan. Het zou Den Haag en Wiegman sieren wanneer
zij met de resultaten van de evaluatie daadwerkelijk iets gaan doen, ook al
kost het geld en moeite om de fouten te herstellen. Dan gaat
het nóg beter met de thuiszorg en kunnen we ons richten op de andere
doelstellingen van de WMO,
in het belang van onze inwoners.
i Het artikel van
Esmé Wiegman is te lezen op www.trouw.nl/discussie.