Toespraak van de Voorzitter van de Tweede Kamer, de heer Weisglas,  bij de bijeenkomst van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945 op 14 augustus 2006 in de Tweede Kamer (hal Binnenhof 1a bij de herdenkingsplaquette)

 

Geachte dames en heren,

 

Het is voor mij een groot genoegen dat ik dit jaar zelf in de gelegenheid ben u in het gebouw van de Tweede Kamer te mogen verwelkomen bij deze herdenkingsbijeenkomst.

Op 15 augustus herdenken wij immers de capitulatie van het Japanse Keizerrijk waardoor er een einde kwam voor het Koninkrijk der Nederlanden aan de Tweede Wereldoorlog. Voor velen van u heeft deze datum grote betekenis.

15 Augustus maakt veel herinneringen los, herinneringen die een onvervreemdbaar onderdeel zijn geworden van uw leven.

Velen van u hebben zelf herinneringen aan de periode van de Japanse bezetting. Misschien heeft u geliefden verloren, of heeft u op andere wijze blijvend verdriet overgehouden. Het is belangrijk dat niet alleen de herinneringen aan de verschrikkingen die toen hebben plaatsgevonden maar ook de persoonlijke ervaringen van degenen die het hebben meegemaakt niet verloren gaan. Daarom herdenken wij elk jaar op nieuw de Japanse capitulatie; vandaag doen wij dat hier in het gebouw van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij de Indische Gedenkplaat, en morgen doen wij dat in groter verband in het Westbroekpark in Den Haag bij het Indisch Monument. Zo willen wij ervoor zorgen dat al die herinneringen deel uit (gaan) maken van ons collectief geheugen.

De herdenkingen op 14 en 15 augustus staan ook in het teken van de ontmoeting. Beide herdenkingen vervullen in dat opzicht een onmisbare functie; niet alleen voor de overlevenden, maar ook voor de nabestaanden, en voor alle volgende generaties gaan herdenken en ontmoeten hand in hand.

Maar ook buiten deze dagen laat het voormalig Nederlands-Indië, het huidige Indonesië, u niet los. U heeft nu eenmaal een hechte band met dit land, een band die nooit meer overgaat - want het zit als het ware in uw bloed. “Indonesië zal nooit een gewoon buitenland zijn” zo merkte hoogleraar Wim van den Doel vorig jaar al op.

Die verbondenheid is alom aanwezig. Zoals met Kerstmis 2004 toen een tsunami dood en verderf zaaide in Atjeh. Ook de terroristische aanslagen, zoals er vorig jaar oktober op Bali helaas weer een plaatsvond, maken herinneringen los.

En onlangs nog toen een aardbeving op Java een grote verwoesting veroorzaakte met duizenden doden. Velen van u zullen die regio kennen. Ik kan mij heel goed voorstellen dat dit u zeer raakt.

Waar men indertijd al sinds het begin van de vorige eeuw bang voor was, dreigde in 1945: het verlies van de kolonie. “Indië verloren, rampspoed geboren” zo werd toen gezegd. Zoals wij allemaal weten, werd die onafhankelijkheid werkelijkheid met de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949.

In de periode na de 15e augustus 1945 heeft zich zeer veel afgespeeld. Ik denk dan aan de Bersiap, de andere ongeregeldheden en het vele persoonlijke leed. Men is indertijd op bestuursniveau koortsachtig bezig geweest om te redden wat er te redden viel. Ook voor de overheidsfinanciën en de economie was het, zowel in voormalig Nederlands-Indië als in Nederland, een rampzalige periode. Een traumatische periode voor velen: de Indische Nederlanders en de KNIL-militairen (die hun vaderland verloren) en voor de veteranen na de hopeloze strijd tegen de nieuwe Republiek Indonesië.

De situatie die na 15 augustus 1945 is ontstaan, is nooit helemaal, en vooral niet grondig, in kaart gebracht. De geschiedenis van die periode in voormalig Nederlands-Indië is vaak fragmentarisch weergegeven vanwege de talloze ongrijpbare aspecten en de chaotische omstandigheden. Maar wil je vooruit kijken en overeenkomstig handelen, dan moet je weten wat er in het verleden is gebeurd.

Het is naar mijn mening daarom een goed besluit geweest om in het kader van Het Gebaar een uitgebreid historisch onderzoek te verrichten, wetenschappelijk én objectief. Deze opdracht is bij het NIOD neergelegd. Onder de titel “Van Indië tot Indonesië; de herschikking van de Indonesische samenleving” zijn nu twee standaardwerken verschenen. Het eerste deel “Indische rekening. Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945-2005” van de hand van Hans Meijer (met medewerking van Margaret Leidelmeijer) verscheen vorig jaar en onlangs kwam het tweede deel “Sporen van Vernieling. Oorlogsschade, roof en rechtsherstel in Indonesië 1940-1957” geschreven door Peter Keppy, uit.

Ik ben zeer onder de indruk van het vele werk dat voor het blootleggen van de geschiedenis van beide onderwerpen is verricht.

Beide publicaties geven de lezer een duidelijk beeld van hoe het toen in voormalig Nederlands-Indië en hier in Den Haag is verlopen.

In het boek Sporen van vernieling worden heel duidelijk de definities van oorlogsschade, rechtsherstel en eerherstel beschreven. Begrippen die in de loop van de tijd vaak door elkaar zijn gehaald en daardoor tot vele langdurige misverstanden, en soms ook valse hoop, hebben geleid.

Beide boeken maken naar mijn mening vóór alles duidelijk hoe ondoorzichtig en ingewikkeld alle aspecten van de nasleep van de Japanse overheersing en de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië waren, en nog steeds zijn.

Ik vertrouw erop dat naar aanleiding van deze studies, die voor eens en altijd de geschiedenis en de omstandigheden duidelijk maken, er een duidelijk antwoord komt op allerlei vragen en jarenlange, zeg maar generaties lang, slepende affaires en onduidelijkheden. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw Ross-van Dorp, heeft de Kamer medio juni jl. laten weten dat er binnen afzienbare tijd een reactie van het kabinet komt op beide onderzoeken.

Ik realiseer mij zeer dat de geschiedschrijving van de overgang van voormalig Nederlands-Indië naar Indonesië een zwaar, beladen maar vooral ook indrukwekkend onderwerp is. Het onder de aandacht brengen bij het (grote) publiek van deze kennis, zou naar mijn mening een grote prioriteit moeten hebben. Vergroting van de kennis en belangstelling in Nederland over wat zich in voormalig Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting en daarna heeft afgespeeld, kunnen wellicht een bijdrage leveren aan het gevoel van erkenning waar u, als direct of indirect betrokkenen, allen recht op heeft.  Daarnaast hoop ik dat het, al is het maar voor een klein deel, de verwerking van de oorlogstrauma’s zal ondersteunen.

Vandaag staan wij bij al deze elementen even stil. Maar in het bijzonder staan wij stil bij hen, die de verschrikkingen in Nederlands-Indië niet hebben overleefd en bij diegenen die daardoor voor het leven getekend zijn. Bij het leed dat hen is aangedaan staan wij vandaag in het bijzonder stil. Namens de Staten-Generaal zal ik samen met de Voorzitter van de Eerste Kamer zo direct een krans leggen bij deze Indische Gedenkplaat en op deze wijze hen de eer betonen die hen toekomt.