Toespraak van de Voorzitter van de
Tweede Kamer,
de heer Weisglas, bij de bijeenkomst
van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945 op 14 augustus
Geachte
dames en heren,
Het is
voor mij een groot genoegen dat ik dit jaar zelf in de gelegenheid ben u in het
gebouw van de Tweede Kamer te mogen verwelkomen bij deze
herdenkingsbijeenkomst.
Op 15
augustus herdenken wij immers de capitulatie van het Japanse Keizerrijk
waardoor er een einde kwam voor het Koninkrijk der Nederlanden aan de Tweede
Wereldoorlog. Voor velen van u heeft deze datum grote
betekenis.
15 Augustus maakt veel herinneringen los, herinneringen die een
onvervreemdbaar onderdeel zijn geworden van uw leven.
Velen van
u hebben zelf herinneringen aan de periode van de Japanse bezetting. Misschien heeft u geliefden verloren, of heeft u op andere wijze
blijvend verdriet overgehouden. Het is belangrijk dat niet alleen de
herinneringen aan de verschrikkingen die toen hebben plaatsgevonden maar ook de
persoonlijke ervaringen van degenen die het hebben meegemaakt niet verloren
gaan. Daarom herdenken wij elk jaar op nieuw de Japanse capitulatie; vandaag
doen wij dat hier in het gebouw van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij de
Indische Gedenkplaat, en morgen doen wij dat in groter verband in het Westbroekpark in Den Haag bij het Indisch
Monument. Zo willen wij ervoor zorgen dat al die herinneringen deel uit (gaan)
maken van ons collectief geheugen.
De
herdenkingen op 14 en 15 augustus staan ook in het teken van de ontmoeting.
Beide herdenkingen vervullen in dat opzicht een onmisbare functie; niet alleen
voor de overlevenden, maar ook voor de nabestaanden, en voor alle volgende
generaties gaan herdenken en ontmoeten hand in hand.
Maar ook
buiten deze dagen laat het voormalig Nederlands-Indië, het huidige Indonesië, u niet los. U heeft nu eenmaal een hechte band met dit land, een band die
nooit meer overgaat - want het zit als het ware in uw bloed. “Indonesië zal
nooit een gewoon buitenland zijn” zo merkte hoogleraar Wim
van den Doel vorig jaar al op.
Die
verbondenheid is alom aanwezig. Zoals met Kerstmis 2004 toen een tsunami dood en verderf zaaide in Atjeh.
Ook de terroristische aanslagen, zoals er vorig jaar oktober op Bali helaas weer een plaatsvond, maken herinneringen los.
En
onlangs nog toen een aardbeving op Java een grote verwoesting veroorzaakte met
duizenden doden. Velen van u zullen die regio kennen. Ik kan mij heel goed
voorstellen dat dit u zeer raakt.
Waar men
indertijd al sinds het begin van de vorige eeuw bang voor was, dreigde in 1945:
het verlies van de kolonie. “Indië verloren,
rampspoed geboren” zo werd toen gezegd. Zoals wij allemaal weten, werd die
onafhankelijkheid werkelijkheid met de soevereiniteitsoverdracht op 27 december
1949.
In de
periode na de 15e augustus 1945 heeft zich zeer veel afgespeeld. Ik denk dan
aan de Bersiap, de andere ongeregeldheden en het vele
persoonlijke leed. Men is indertijd op bestuursniveau koortsachtig bezig
geweest om te redden wat er te redden viel. Ook voor de overheidsfinanciën en
de economie was het, zowel in voormalig Nederlands-Indië
als in Nederland, een rampzalige periode. Een traumatische periode voor velen:
de Indische Nederlanders en de KNIL-militairen (die
hun vaderland verloren) en voor de veteranen na de hopeloze strijd tegen de
nieuwe Republiek Indonesië.
De
situatie die na 15 augustus 1945 is ontstaan, is nooit helemaal, en vooral niet
grondig, in kaart gebracht. De geschiedenis van die periode in voormalig Nederlands-Indië is vaak fragmentarisch weergegeven vanwege
de talloze ongrijpbare aspecten en de chaotische omstandigheden. Maar wil je
vooruit kijken en overeenkomstig handelen, dan moet je
weten wat er in het verleden is gebeurd.
Het is
naar mijn mening daarom een goed besluit geweest om in het kader van Het Gebaar
een uitgebreid historisch onderzoek te verrichten, wetenschappelijk én
objectief. Deze opdracht is bij het NIOD neergelegd. Onder de titel “Van Indië tot Indonesië; de herschikking van de Indonesische
samenleving” zijn nu twee standaardwerken verschenen. Het eerste deel “Indische
rekening. Indië, Nederland en de backpay-kwestie
1945-
Ik ben
zeer onder de indruk van het vele werk dat voor het blootleggen van de
geschiedenis van beide onderwerpen is verricht.
Beide publicaties
geven de lezer een duidelijk beeld van hoe het toen in voormalig Nederlands-Indië en hier in Den Haag is verlopen.
In het
boek Sporen van vernieling worden heel duidelijk de definities van
oorlogsschade, rechtsherstel en eerherstel beschreven. Begrippen die in de loop
van de tijd vaak door elkaar zijn gehaald en daardoor tot vele langdurige
misverstanden, en soms ook valse hoop, hebben geleid.
Beide
boeken maken naar mijn mening vóór alles duidelijk hoe ondoorzichtig en
ingewikkeld alle aspecten van de nasleep van de Japanse overheersing en de
onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië waren, en nog steeds zijn.
Ik
vertrouw erop dat naar aanleiding van deze studies, die voor eens en altijd de
geschiedenis en de omstandigheden duidelijk maken, er een duidelijk antwoord
komt op allerlei vragen en jarenlange, zeg maar generaties lang, slepende
affaires en onduidelijkheden. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, mevrouw Ross-van Dorp, heeft de Kamer medio
juni jl. laten weten dat er binnen afzienbare tijd een reactie van het kabinet
komt op beide onderzoeken.
Ik
realiseer mij zeer dat de geschiedschrijving van de overgang van voormalig Nederlands-Indië naar Indonesië een zwaar, beladen maar
vooral ook indrukwekkend onderwerp is. Het onder de aandacht brengen bij het
(grote) publiek van deze kennis, zou naar mijn mening een grote prioriteit
moeten hebben. Vergroting van de kennis en belangstelling in Nederland over wat
zich in voormalig Nederlands-Indië tijdens de Japanse
bezetting en daarna heeft afgespeeld, kunnen wellicht een bijdrage leveren aan
het gevoel van erkenning waar u, als direct of indirect
betrokkenen, allen recht op heeft.
Daarnaast hoop ik dat het, al is het maar voor een klein deel, de
verwerking van de oorlogstrauma’s zal ondersteunen.
Vandaag
staan wij bij al deze elementen even stil. Maar in het bijzonder staan wij stil
bij hen, die de verschrikkingen in Nederlands-Indië
niet hebben overleefd en bij diegenen die daardoor voor het leven getekend
zijn. Bij het leed dat hen is aangedaan staan wij vandaag in het bijzonder
stil. Namens de Staten-Generaal zal ik samen met de Voorzitter van de Eerste
Kamer zo direct een krans leggen bij deze Indische Gedenkplaat en op deze wijze
hen de eer betonen die hen toekomt.