Wadjan
Na de bevrijding in 1945 waren we voornamelijk dolgelukkig dat we de kampellende hadden overleefd. We waren broodmager en hongerig maar nu konden we de kleren die ons toch te wijd waren ruilen tegen etenswaren die mensen van buiten het kamp ons aanboden.
Zij hadden dringend behoefte aan textiel, zozeer zelfs dat jongens probeerden wasgoed te stelen dat te drogen hing. Eerst wilde ik er achter aan maar later kregen we medelijden.
We hoorden dat wij met een van de eerste transporten terug naar Soerabaya mochten vanwege mijn moeders conditie en tropenzweer. Toen kreeg mijn moeder het idee om alles wat we toch niet mee terug wilden nemen, gewoon weg te geven aan de kinderen die het eerst niet begrepen maar later met hun familie terugkwamen en ons te eten vroegen. Zij waren wel geschrokken van hoe we er uit zagen maar vertelden ook van hun moeilijke jaren.
Tenslotte gaven ze ons als dank een gietijzeren wadjan mee ter herinnering.
Mijn moeder was geroerd door het feit dat deze arme mensen ondanks alles hun waardigheid hadden behouden. Ze beloofde de wadjan in ere te houden. We namen plechtig afscheid en liepen met de voor ons toen zware gietijzeren pan terug naar het kamp. En hij ging mee naar Singapore toen we nog eens moesten vluchten, mee naar Makassar en terug naar Holland voor jarenlang gebruik in onze keukens, een vast erfstuk van moeder op dochter enzovoort.
Bij alle herdenkingen zijn ook deze feiten springlevend. We voelen bewondering voor de kracht en levensmoed van zo velen in barre omstandigheden. Maar naast dankbaarheid voor eigen overleven bekruipt me vaak een beschamend inzicht van tekortschieten jegens alle na ons komende generaties kinderen die nog altijd soortgelijke ellende moeten doormaken.
Waar zijn we blijven steken? Hadden we als mensheid niet veel meer moeten doen? Niet beter moeten samenwerken om met onze kennis en ervaringen de huidige tragedies te voorkomen?
Auteur: Hedda van Rozelaar