Een zeldzaam verbod tot beroepsuitoefening

Hoe ver kan een huisarts gaan alvorens de tuchtrechter overgaat tot doorhaling van inschrijving in het register? Deze vraag moest het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg beantwoorden in een tuchtzaak waarbij een arts nagenoeg alle elementaire beroepsnormen aan zijn laars heeft lapt.

In september 2003 heeft de inspecteur voor de gezondheidszorg een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen een voormalig huisarts wegens het handelen in strijd met de goede beroepsuitoefening. De arts wordt beschuldigd van het ten onrechte niet afleggen van een visite, een gebrekkige waarneming van zijn praktijk, gebrekkige communicatie met collegae en de inspectie, een verwijtbaar gebrek aan samenwerking in de huisartsen waarneemgroep en zich het onttrekken aan toezicht van de inspectie.
In eerste instantie verklaart het Regionaal Tuchtcollege de klacht op alle genoemde onderdelen gegrond en legt het de arts een maatregel op, bestaande uit de tijdelijke ontzetting van de bevoegdheid tot beroepsuitoefening voor de duur van een jaar. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna het College).

Decor
Bij de beoordeling in hoger beroep betrekt het College tevens het tuchtrechtelijk verleden van de arts, aangezien het decor waartegen de onderhavige klacht zich afspeelt, wordt gevormd door wat reeds eerder is voorgevallen. Het betreft een tweetal tuchtzaken uit 1998 waarbij het Gerechtshof de arts een schorsing oplegde voor de duur van drie maanden.
Tijdens die procedure concludeerde de geraadpleegde forensisch psychiater ,,dat er sprake is van een zekere karaktermatig bepaalde overgevoeligheid in contacten als het gaat om thema's kritiek, inzet, integriteit en krenkbaarheid; daarbij is betrokkene weinig flexibel en neigt te zeer uit te gaan van eigen gelijk''. Op grond van bovenstaande overwegingen acht de psychiater het gevaar op herhaling meer dan gemiddeld aanwezig.
Bij de toenmalige beslissing heeft het Gerechtshof laten meewegen dat betrokkene heeft toegezegd zich te zullen laten bijscholen door middel van gerichte training. Het niet dan wel onvoldoende nakomen van die toezegging, alsmede nieuwe klachten zijn voor de inspectie aanleiding een nieuwe klacht in te dienen bij het tuchtcollege.

Onvoldoende
De inspectie verwijt de arts onvoldoende stappen te hebben ondernomen waar het gaat om het volgen van supervisie en nascholing in de communicatieve sfeer. De toegezegde supervisie heeft slechts bestaan uit enkele supervisiegesprekken, waarna de supervisor concludeerde dat het traject niet voldoende was afgesloten en dat de periode voor betrokkene te kort was om zich een goede vorm van zelfreflectie eigen te maken. Van hervatting van supervisie was daarna geen sprake.
Vervolgens bemoeit de inspectie zich intensief met de supervisie via het aansporen en verzoeken om informatie omtrent het verloop ervan; brieven daaromtrent worden echter niet beantwoord. Terecht constateert het College dat de inspectie in die periode (1999-2003) jarenlang aan het lijntje werd gehouden. Daarmee heeft de arts de supervisie, bedoeld en nodig om een goede kwaliteit van zorgverlening te waarborgen, onvoldoende serieus genomen.

Ter zitting blijkt tevens dat de waardering van de arts omtrent de gebrekkige waarneming en de communicatie met collegae en patiënten diametraal staat tegenover de waarneming van de inspectie. Zo bleek geen enkele waarnemingsgroep in de regio bereid de arts op te nemen als lid op grond van negatieve ervaringen in het recente verleden. Het College concludeert daaruit dat de arts zich onvoldoende ontvankelijk heeft getoond voor kritiek op de praktijkuitoefening.
Vervolgens onderzoekt het College of er in het gedrag en de houding van de arts kiemen van verbetering zijn te ontwaren. Tijdens de tuchtzaak in 1998 is de arts reeds gewaarschuwd over het risico van definitieve ontzetting uit zijn beroep. Tevens zijn de arts verschillende handreikingen gedaan. Hij heeft echter volhard in zijn klachtwaardig gedrag, waarmee hij het ultieme bewijs van zijn ongeschiktheid voor de huisartsengeneeskunde heeft geleverd.

Levensbeëindiging
Ten slotte is het tuchtrechtelijk niet te dulden dat de arts bij verzoeken betreffende levensbeëindiging op verzoek niet bereid is een collega te consulteren, alsook de gemeentelijke lijkschouwer in te schakelen. De daarbij uitgesproken bereidheid tot het plegen van valsheid in geschrift door in dergelijke gevallen over te gaan tot het opmaken van een verklaring van natuurlijk overlijden, zegt voldoende over de noodzaak voor de arts van deskundigheidsbevordering.
Het College constateert dat de klachten over de arts een verantwoorde uitoefening van de huisartsengeneeskunde in de kern raken en dat de verschillende klachtonderdelen het beeld opleveren dat de manco's meer dan één terrein van de huisartsenprofessie betreffen. Gezien de ernst en de omvang van de klachten, alsmede de hardnekkigheid waarmee het klachtwaardig optreden plaatsvindt, wordt gevreesd voor de toekomst. Waar meerdere berispingen en schorsingen in het verleden geen verbetering hebben gebracht en zelfinzicht, zelfkritiek en veranderingsbereidheid blijven ontbreken, is er geen reden te bedenken waarom de arts voorwaardelijk in zijn beroep zou zijn te handhaven. Het College kiest daarom voor de ultieme tuchtrechtelijke sanctie van doorhaling in het register in het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg, zijnde het voorkomen van nog meer schade.

Zeldzaam
Deze uitspraak van het Centraal Tuchtcollege betreft een van de zeldzame gevallen waarin de tuchtrechter een verbod tot beroepsuitoefening oplegt. Het handelen en het gedrag van de arts lieten het College ook geen andere keuze. Waar tekenen van inzicht en inkeer bij de arts ontbreken, aansporingen betreffende intervisie en bijscholing door middel van gerichte training niet worden opgepikt, eindigt de intercollegiale toetsing en rest slechts de maatregel van de selectie.
Het ultieme bewijs van onkunde betrof de bereidheid van de arts tot het plegen van een strafbaar feit inzake euthanasie. Een dergelijk voornemen, nota bene na een eerdere veroordeling hieromtrent door het Gerechtshof, getuigt van een gebrek aan integriteit en is tekenend voor diens houding jegens de eigen professie.

Daarnaast maakt de casus pijnlijk duidelijk dat kwaliteitsbevordering van de beroepsuitoefening via toetsing van medisch-professioneel handelen, slechts aan de orde is indien en voor zover betrokkene zich ontvankelijk toont voor kritiek en bereid is tot gedragswijziging. Waar dat niet het geval is, resteert slechts de ultieme tuchtrechtelijke sanctie, gebaseerd op het algemeen belang.

Ten slotte kan men, ondanks de actieve rol van de inspectie en de voortdurende verzoeken om informatie omtrent het verloop van het supervisietraject, vraagtekens plaatsen bij het feit dat de inspectie vijf jaar (!) nodig had om deze arts uit zijn beroep te zetten. Gedurende deze periode heeft de arts met enige regelmaat onverantwoorde zorg verleend en voor onrust bij diens collegae gezorgd. Mede in het licht van het tuchtrechtelijk verleden van de arts had eerder ingrijpen door de inspectie, alsmede de contracterende zorgverzekeraar(s) voor de hand gelegen.

André den Exter is verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, sectie Europees recht, en is tevens bestuurslid van de Wetenschappelijke kring voor recht, ethiek en de gezondheidszorg.

 

© Nederlands Dagblad, 11 augustus 2006