Een groot deel van de samenleving draait op vrijwilligers.
"Zonder hen zou het een stuk saaier en duurder zijn.'' De vraag is echter
groter dan het aanbod.
|
HET HAAGS POPCENTRUM is op zoek naar een administratief
medewerk(st)er, Vluchtelingenwerk zoekt een leraar Nederlands, Slachtofferhulp
vraagt hulpverleners, de Ezelopvang een dierenverzorger. Het zijn vacatures die
bij elk willekeurig uitzendbureau in het aanbod zouden kunnen zitten. Het
verschil is dat het hier gaat om de vacatures van Hof, stichting voor de
promotie van vrijwilligerswerk in Den Haag. Gevraagd: mensen die zich onbetaald
en niet-verplicht willen inzetten voor anderen.
Het aanbod van de vacaturebank van Hof is, net zoals bij de meeste
vacaturebanken voor vrijwilligers in Nederland, groot en uiteenlopend. In
iedere sector, van gezondheidszorg tot politiek tot religie, worden
vrijwilligers gevraagd en wordt er van hen gebruikgemaakt. Dat zijn niet alleen
de bezorgers van 'Tafeltje-Dekje', waar velen aan denken, maar ook ouders die
in het weekeinde het hele voetbalelftal naar een uitwedstrijd brengen, leden
van een stadsdeelraad of schoolbestuur. Vrijwilligerswerk is een
vanzelfsprekend onderdeel van de Nederlandse maatschappij.
Naar schatting werkt een op de vier Nederlanders regelmatig als
vrijwilliger voor een van de 100.000 officiële, geregistreerde verenigingen,
een van de 125.000 stichtingen of een van de ontelbare buurt- en
sportverenigingen die Nederland rijk is. Volgens het CBS zijn vrijwilligers
vooral hoger opgeleiden, mannen en vrouwen van middelbare leeftijd en mensen
met een gereformeerde achtergrond. Gemiddeld doen zij 12,4 uur onbetaalde
arbeid. Dit cijfer wordt alleen door Canada en de Verenigde Staten overtroffen.
De cijfers stemmen echter niet optimistisch. Op macro-niveau is
het aantal vrijwilligers gelijk gebleven, op micro-niveau zijn problemen te
zien. Het vrijwilligersbestand van sommige organisaties vergrijst snel. Vooral
in de gezondheidszorg geeft dat problemen; het tillen van de patiënt wordt te
zwaar of het duwen van een rolstoel gaat niet meer zo makkelijk. Jongeren
betrekken bij vrijwilligerswerk lijkt een eenvoudige oplossing, maar de
deelname van het aantal jongeren daalt.
Dat heeft deels te maken met de economische welvaart in Nederland.
Tijdens de schaarste op de arbeidsmarkt, zoals in de jaren tachtig, zochten
werklozen naar iets wat zij konden doen. Nu zien de vrijwilligersorganisaties
dat werkenden het te druk hebben om zich overdag in te zetten, of zich te
kunnen binden aan vaste uren. De huidige vrijwilligers willen zich bovendien
'wel eens' inzetten, maar niet volledig beschikbaar zijn. De maatschappij is
zich ook steeds meer gaan richten op tweeverdieners. De huisvrouw die naast het
huishouden zorg droeg voor bejaarde ouders en die het als haar 'morele plicht'
zag zich onbaatzuchtig voor de naaste in te zetten, verdwijnt langzaam. In de
schaarse vrije tijd moeten onbekenden nu vechten om aandacht met familie en
vrienden.
Studenten zijn moeilijker binnen te halen sinds een te kleine
studiebeurs hen tot verdienen dwingt. Jongeren willen bovendien niet gebonden
zijn aan een taak. Ze kiezen voor concrete acties waarbij het doel duidelijk
is. Enveloppen dichtlikken of het buurtkrantje in de bus doen heeft volgens hen
weinig zin. Wanneer zij onbetaald werk willen doen, moet het ook voor hen baat
hebben, bijvoorbeeld doordat ze het in hun curriculum vitae kunnen zetten.
Zonder nieuwe aanwas in het vrijwilligersbestand kan er een
gevaarlijke situatie ontstaan. Een deel van de Nederlandse samenleving draait
op de onbetaalde arbeid van vrijwilligers. "Zonder hen zou Nederland een
stuk saaier en minder democratisch zijn. En een heleboel zaken zouden
verdwijnen of ontzettend duur worden'', zegt Theo Van Loon, directeur van de
Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV). "Denk eens aan alle
evenementen: het Filmfestival draait op vrijwilligers, veel musea werken met
vrijwilligers, de marathon van Rotterdam ook.
Amateursport kun je wel vergeten zonder vrijwilligers die in de
besturen zitten, achter de bar staan, de wedstrijden fluiten. En in de zorg
wordt veel hulp door vrijwilligers gegeven. Waren zij er niet, dan val je terug
op professionele, en dus dure en schaarse hulpverlening.'' Econoom I. van
Staveren, die promoveerde op de invloed van onbetaalde arbeid op de economie,
ziet een groter probleem ontstaan. Zonder vrijwilligerswerk "klapt de
economie in elkaar''.
"Vrijwilligerswerk heeft onbedoelde neveneffecten op de
samenleving'', zegt hij. Met het brengen van een pannetje soep wordt niet
alleen iemand anders geholpen, maar worden ook sociale kwaliteiten gestimuleerd
als het naar elkaar luisteren en vertrouwen kweken. Deze sociale vaardigheden
zijn in de samenleving weer nodig om de markt te laten werken. Zonder
"sociaal kapitaal'' dat door onbetaalde arbeid wordt ontwikkeld, is er
geen kapitaal.
De NOV probeert in het Internationaal Jaar van Vrijwilligers
mensen duidelijk te maken dat vrijwilligerswerk meer is dan "enveloppen
dichtlikken'', en dat het werk leuk en interessant is. De organisaties richten
zich daarbij vooral op jongeren, allochtonen en het bedrijfsleven en proberen
passend vrijwilligerswerk te vinden. Naar voorbeeld van Angelsaksische landen
geven bijvoorbeeld werkgevers hun personeel de gelegenheid vrijwilligerswerk te
doen onder werktijd. Jongeren krijgen training en bestuurservaring en de Haagse
vrijwilligersvacaturebank Hof probeert inmiddels jongeren te interesseren voor
vrijwilligerswerk met een studiepuntensysteem. Studenten pedagogiek en
sociologie van de Haagse Hogeschool krijgen studiepunten voor hulpverlening.
"Je krijgt er veel voor terug'', zegt Van Loon van de NOV.
"Langdurig werklozen bijvoorbeeld zie je door vrijwilligerswerk weer op de
rails komen. Ze komen weer in het ritme van werk, in een sociale kring. En
55-plussers, die net uit het arbeidsproces zijn gekomen, kunnen hun kennis en
energie weer in de samenleving stoppen.
"Ik weet dat vrijwilligerswerk vaak 'liefdewerk, oud papier'
wordt genoemd, maar als je de mensen zelf spreekt, krijg je hele andere
informatie. Vrijwilligerswerk maakt de samenleving tot een betrokken
maatschappij.''
Bron: Vrijwilligerswerk wereldwijd, Margriet-Marie Govaart
e.a.(red.)
De prijs is niet te bepalen en niet te
betalen
Volgens schattingen werken vrijwilligers in Nederland samen 540
miljoen uur per jaar pro Deo. De economische waarde van dit werk blijkt
nauwelijks onderzocht.
|
''DE ECONOMISCHE WAARDE van vrijwilligerswerk?'' De woordvoerster
van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft geen idee,
hoewel haar departement verantwoordelijk is voor de coördinatie van het
vrijwilligerswerk. "Het moet een enorm bedrag zijn'', verzucht ze.
Volgens Justin Davis Smith van het Britse Institute for
Volunteering Research is het niet vreemd dat de woordvoerster geen inzicht kan
geven in de economische waarde. Voor Nederland geldt hetzelfde als voor de rest
van de wereld: er worden nauwelijks pogingen ondernomen om vrijwilligerswerk in
geld uit te drukken. "Je kunt een parallel trekken met het werk van
huisvrouwen'', zegt hij. "If you
can't count it, it doesn't count!'' Davis Smith was een van de sprekers op
het internationale congres dat vorig jaar in Hilversum werd gehouden als
voorbereiding op het Internationale Jaar van de Vrijwilligers.
Smith kon slechts een paar bedragen noemen. Bijvoorbeeld dat de
Canadezen jaarlijks voor 16 miljard dollar aan vrijwilligerswerk verrichten. En
dat de Britten een score hebben van 40 miljard pond. Ook in andere landen moet
het om forse bedragen gaan, want uit een onderzoek in 22 landen bleek dat de
hoeveelheid vrijwilligerswerk overeenkomt met 10,5 miljoen fulltime
arbeidsplaatsen.
Ook in Nederland wordt in georganiseerd verband onverplicht en
onbetaald heel wat werk verzet ten behoeve van anderen of de samenleving, want
zo luidt de officiële definitie van vrijwilligerswerk. Hierbij is vooral dat
georganiseerde verband belanrgijk, want zonder deze beperking zou iedereen die
weleens iets voor een ander doet een vrijwilliger zijn. De mantelzorgers en andere
informele helpers die voor hun zieke ouders zorgen of een oogje in het zeil
houden bij hun bejaarde buren, en al diegenen die huishoudelijk werk verrichten
tellen dus niet mee. Maar ondanks afspraken over de definitie slagen
onderzoekers er in steeds andere cijfers te presenteren.
Doet 15 procent van de Nederlanders vrijwilligerswerk? Of 45
procent? Beide percentages zijn op grond van onderzoeksresultaten te
verdedigen. "Er doen veel te veel verschillende cijfers de ronde'', erkent
Theo van Loon, directeur van de Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk
(NOV). Evenals het ministerie van VWS gaat hij uit van de cijfers van het
Sociaal en Cultureel Planbureau, wat neerkomt op 3 miljoen vrijwilligers, dus
zo'n 20 procent van de bevolking. Zij besteden maandelijks gemiddeld vijftien
uur aan vrijwilligerswerk. Dat betekent dat zij samen jaarlijks 540 miljoen uur
werken.
In haar proefschrift The Economics of Unpaid Work uit 1996 gaat de
inmiddels overleden econoom Marga Bruyn-Hundt in op verschillende methoden om
de economische waarde van onbetaald werk te berekenen. Dat kan bijvoorbeeld via
de opportunity-costs-methode, die uitgaat van het inkomen dat de vrijwilliger
derft door gratis te werken in plaats van betaald. Voor het bepalen van de
waarde van huishoudelijk werk en daar was het Bruyn-Hundt om begonnen kan dit
een goede manier zijn, maar voor vrijwilligerswerk is deze berekeningswijze
minder geschikt. Vrijwilligers zijn immers heel vaak mensen die hun pro
Deo-werk verrichten naast een gewone baan.
Een andere methode is de output-methode, die uitgaat van de
marktwaarde van de goederen en diensten die vrijwilligers produceren of
leveren. Deze informatie is echter lang niet altijd voorhanden. Daarom is de
input-methode de eenvoudigste: het aantal onbetaalde uren wordt vermenigvuldigd
met een uurloon. Deze eenvoud is meteen de zwakke plek van de methode, want
vrijwilligerswerk gebeurt op de meest uiteenlopende niveaus. De uren van de
vrijwilliger in het bejaardenhuis zouden vermenigvuldigd moeten worden met het
uurloon van een bejaardenverzorger, de uren van de vrijwilligers in de
schoolbibliotheek met het uurloon van een bibliothecaris of leerkracht en de
uren van de vrijwilliger in het bestuur van een miljoenenorganisatie als het
Rode Kruis met het uurloon van een lid van een Raad van Bestuur in het
bedrijfsleven.
Voor huishoudelijk werk loste Bruyn-Hundt dit probleem op door met
drie verschillende uurlonen te rekenen, namelijk het minimumloon, het loon van
een gezinshulp en het gemiddelde loon in Nederland.
Als bij de berekening van de economische waarde van
vrijwilligerswerk het minimum uurloon wordt genomen, komt dat neer op 540
miljoen uur maal 15,85 gulden (loon in 2001 plus vakantiegeld) is 8,6 miljard
gulden. Met zo'n 25 procent werkgeverslasten erbij is dat bijna 11 miljard
gulden. Dat is het goedkoopste scenario. Als het gemiddelde loon dat
Nederlanders verdienen als uitgangspunt wordt genomen, is de economische waarde
jaarlijks 540 miljoen uur maal 33,16 gulden (gemiddeld loon inclusief vakantiegeld
in 1999) is 17,9 miljard, plus werkgeverslasten dus ruim 22 miljard gulden.
Betekent dat nu dat al die vrijwilligers er samen voor zorgen dat
de overheid jaarlijks ten minste 11 miljard gulden bespaart? "Nee'', zegt
Van Loon. "Veel vrijwilligerswerk is weliswaar van grote waarde, maar ik
sluit niet uit dat sommige activiteiten wegvallen zodra er voor betaald moet
worden.'' De handwerkochtenden en klaverjasmiddagen in het verzorgingshuis
leggen dan wellicht het loodje, net als de georganiseerde wandelingen voor
natuurliefhebbers en de knutselmiddagen voor scholieren in het buurthuis.
"Sportverenigingen zullen wel blijven bestaan'', denkt Van
Loon. "Alleen zullen die zonder vrijwilligers torenhoge contributies
moeten vragen, zodat sporten alleen nog voor de elite is weggelegd.'' Maar als
de vrijwillige bestuurders van een organisatie als het Rode Kruis morgen
allemaal opstappen, zal de organisatie in kwestie of de overheid wel
bijspringen, vermoedt hij. "Niemand wil zo'n organisatie dumpen, dus dan
zal het betaald werk worden. En goed betaald, want wie wil verantwoordelijk
zijn voor een miljoenenorganisatie als daar het minimumloon tegenover staat?
Nee, het is geen 11 miljard, maar al met al zorgt vrijwilligerswerk wel voor
een grote besparing.''
Wel willen meehelpen, maar niet voor
altijd
Zonder de inzet van miljoenen vrijwilligers zou de sportsector en
de gezondheidszorg bijna niet meer kunnen functioneren.
|
ZE PRATEN OVER marktaandelen en concurrentie. Ook bij
vrijwilligersorganisaties is het economisch denken de laatste jaren volledig
ingeburgerd. Ze moeten wel, om te overleven. "Vroeger had je één keer per
jaar een sinterklaasmiddag. Nu heb je om de haverklap activiteiten. En elke
week een mooi clubblad, smurfenvoetbal voor vier- en vijfjarigen, alle
elftallen in een mooi tenue met sponsorVrijwilligerswerk en een kantine met een
volwaardig aanbod'', zegt sportonderzoeker Jan Janssens, zelf oudvoorzitter van
voetbalvereniging WSE uit Waddinxveen.
Sportverenigingen en andere vrijwilligersorganisaties zijn in een
voortdurende concurrentieslag verwikkeld: om leden binnen te halen, maar ook om
voldoende medewerkers te werven. De sportwereld drijft bijna geheel op
vrijwilligers. Naar schatting een miljoen mensen houden de sportbonden, de
verenigingen, de sporthallen en de kantines gaande. De gezondheidszorg is de
tweede sector die voor een belangrijk deel afhankelijk is van vrijwilligers.
Daarna volgen het kerkelijke vrijwilligerswerk, het buurt- en clubhuiswerk en
het onderwijs. Echt goede cijfers zijn overigens niet voorhanden. Er is sprake
van verschillende definities en van overlap: de katholieke ouderenbond wordt bijvoorbeeld
tot kerkelijk vrijwilligerswerk gerekend, maar steunt ook hulpbehoevende
ouderen.
De grootste sector heeft het tevens het moeilijkst. Uit onderzoek
van sportkoepel NOC*NSF onder 250 sportverenigingen bleek vorige week dat de
helft een tekort aan vrijwilligers heeft, hoewel er gemiddeld 36 vrijwilligers
per vereniging actief zijn. Vijf jaar geleden gaf 37,5 procent van de clubs aan
met een tekort te kampen. Toch is het niet zo dat er minder mensen actief zijn
geworden, zegt Jan Janssens, die het onderzoek voor NOC*NSF uitvoerde. "Er
zijn waarschijnlijk nog nooit zoveel mensen actief geweest als nu'', zegt hij.
"Alleen wordt er een steeds groter beroep op mensen gedaan.''
Verenigingen moeten hun leden steeds meer te bieden hebben, stelt
Janssens, om goed te kunnen blijven draaien. En ze moeten aan meer eisen en
regels voldoen, zoals milieuvoorschriften voor de kantine en de kleedkamers.
"Wie had er tien jaar geleden van de legionellabacterie gehoord?'' Het
bestuurlijke werk is ook veel ingewikkelder geworden. De voorzitter moet veelal
een volwaardige gesprekspartner zijn van de gemeente en potentiële sponsors.
Janssens: "De vereniging van nu is een hele andere dan die van dertig jaar
geleden. Ook toen gingen er clubs ter ziele. Dat wordt wel eens vergeten. Nu
zijn er zelfs sportverenigingen die proberen aan naschoolse opvang te doen.''
Dat de samenleving individualiseert en dat mensen zich dus niet
meer willen inzetten, vindt Janssens een te gemakkelijke verklaring voor het
vrijwilligerstekort. "Dat zal best meespelen. De gemiddelde leeftijd van
de vrijwilligers is ook wel aan de hoge kant: 46 jaar. Maar dat komt ook door
de vele betaalde bijbaantjes voor jongeren en de tempobeurs voor studenten.''
Ook directeur Theo van Loon van de Nederlandse Vrijwilligersorganisatie verzet
zich tegen pessimistische geluiden. "Met 3,5 miljoen vrijwilligers heeft
Nederland internationaal gezien een hoge participatiegraad. In de Verenigde
Staten is het misschien wat hoger, maar daar doet de overheid veel minder.''
Wel wordt het moeilijker om mensen voor langere tijd te binden,
zegt zowel Janssens als Van Loon. Van Loon: "Mensen maken niet meer keuzes
voor het leven. Bij veel sportverenigingen geldt dat als je één keer je vinger
opsteekt, je nooit meer van een functie afkomt. Dat wil bijna niemand meer.''
Janssens: "Mensen worden van alle kanten geclaimd, door de school van hun
kinderen of het buurthuis. Lange tijd aan één organisatie willen ze zich niet
meer binden.'' Sportkoepel NOC*NSF wijst daar ook op: verenigingen moeten
coördinatoren aanstellen die taken voor kortere tijd kunnen toedelen, zodat
hiervoor meer animo ontstaat.
Drijft de sport bijna geheel op goedwillende vrijwilligers, in de
gezondheidszorg is er vooral vraag naar aanvullende hulp. De medische beroepen
zijn steeds technischer geworden. Voor zomaar een praatje is door personeels-
en tijdgebrek weinig ruimte meer. Dat doen de vrijwilligers. Maar ook klussen
die vroeger door betaalde krachten werden gedaan, worden overgenomen door
vrijwilligers. Zo komt het in verpleeghuizen voor dat zij patiënten wassen en
kleden. Waar vrijwilligers een zeer belangrijke rol spelen, is in de terminale
zorg: het begeleiden van mensen die in de laatste levensfase verkeren.
Opmerkelijk is dat er geen tekorten zijn in de terminale zorg. De 172
organisaties die zijn aangesloten bij het landelijke steunpunt Vrijwilligers
Terminale Zorg (VTZ) slagen er zonder al te veel problemen in om voldoende
vrijwilligers te vinden. Er zijn 4.000 mensen die familieleden van mensen in
hun laatste levensfase ondersteunen. De vrijwilligers doen boodschappen voor de
familie, ze waken 's nachts bij de stervende of ze helpen mee met wassen en
verschonen.
Bijna 6.000 ongeneeslijk zieken en hun naasten kregen in 1998
vrijwillige terminale zorg. In 1997 stierven in totaal 32.541 mensen met een
niet-acute aandoening thuis, zodat het steunpunt VTZ zich een 'marktaandeel'
van zeventien procent toedicht.
"Dit werk is zwaar, maar het motiveert kennelijk ook veel
mensen. Dat komt doordat het met zingeving te maken heeft en het heel praktisch
en dankbaar werk is'', zegt adjunct-directeur Hans Bart van VTZ. Om te zorgen
dat de vrijwilligers niet overwerkt raken, is een goede professionele
organisatie die het werk adequaat verdeelt een vereiste, aldus Bart.
Niet iedereen waardeert het werk van de vrijwillige verzorgers.
Vorige week vergeleek verpleeghuisarts Bert Keizer in dagblad Trouw
vrijwilligers in de terminale zorg met ramptoeristen. Hij wantrouwt ze.
"Ik vrees namelijk dat het percentage verknipten, geestelijk
getroebleerden of anderszins gehinderde medemensen onder die groep net iets
hoger ligt dan onder professionals.'' De opvatting van Bert Keizer tekent de
relatie van veel artsen met vrijwilligers, zegt VTZ-directeur Bart.
"Vrijwilligers worden nog niet als volwaardig gezien. Was het maar zo.''
Een soap voor de identificatie
Jongeren zijn nog maar moeilijk te porren voor onbetaald werk.
'Vinden en binden' en de vijf B's moeten soelaas bieden.
|
HOEVEEL MENSEN ZIJN er beschikbaar als vrijwilliger? Daar hebben
allerlei maatschappelijke ontwikkelingen invloed op die je niet allemaal meteen
in verband zou brengen met vrijwilligerswerk. Winkels open op zondag: de
sportclub kan geen kantinebeheerder meer vinden. Studenten die in minder tijd
moeten afstuderen: je merkt het meteen. "We hebben het er met de Raad voor
Maatschappelijke Ontwikkeling wel eens over gehad om alle effecten van nieuwe
wetten te laten doorrekenen over de gevolgen voor de vrijwilligersmarkt'', vertelt
Annemieke Hijink van de Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV).
"Maar het bleek eigenlijk bijna niet mogelijk. Er zijn zóveel wetten die
er invloed op hebben.''
En meestal geen gunstige invloed. Het wordt steeds moeilijker om
mensen te vinden die vrijwilligerswerk willen doen. Dat houdt nu eenmaal direct
verband, aldus Hijink, met de afname van het aantal 'vrijetijdsmomenten' en de
toename van manieren van vrijetijdsbesteding. Voor de wat stoerdere functies
(bij culturele festivals bijvoorbeeld, of bij Amnesty International) ligt het
misschien iets makkelijker, maar vooral de hulpverlening en de zorg hebben
problemen om nieuwe, jonge mensen te trekken.
Reden voor de NOV om een programma 'Vinden en binden' op te
zetten, onder leiding van Hijink, waarin 'het concept van de vijf B's' centraal
staat. Binnenhalen: het werven van nieuwe vrijwilligers. Begeleiden: zorgen dat
ze weten waar het kopieerapparaat staat en dat hun onkosten worden betaald,
maar ook met hen over het werk blijven praten. Belonen: op een persoonlijke
manier duidelijk maken dat de inzet van de vrijwilligers wordt gewaardeerd niet
met geld, maar bijvoorbeeld met complimentjes of lintjes. Behouden: houd het
leuk, zorg dat de mensen niet meteen weer weglopen. En toch ook beëindigen.
"Als iemand ophoudt, is het de kunst om goed uit elkaar te gaan'', vertelt
Hijink. "Wel waardering tonen maar niet zeggen: ik kan niet zonder je. Als
je te veel claimt, komen mensen niet meer terug.''
De B van binnenhalen is uiteraard de meest essentiële in het
programma. Hoe doe je dat? Volgens psychologen van de St. Catherine University
in St. Paul, Minnesota, kun je bij het werven het best aansluiten bij de
motieven van de mensen die je wilt werven. Is je doelgroep vooral
geïnteresseerd in gezelligheid? Onderstreep het sociale karakter van het
vrijwilligerswerk. Is je doelgroep opgebouwd uit mensen die een flitsende
carrière nastreven? Onderstreep dan dat je er zoveel nuttige vaardigheden kunt
opdoen en dat het zo goed staat op je CV. Dat lijkt enorm voor de hand te
liggen, maar de organisaties die op vrijwilligers draaien, beginnen er nog maar
net achter te komen dat het zo werkt. "Die denken nog heel erg vanuit
functies: we hebben een voorzitter nodig, of een secretaris'', vertelt Hijink.
"Terwijl ze eigenlijk zouden moeten vragen: wat zijn je kwaliteiten, waar
ben je goed in? En kom dat dan bij ons doen.''
Eenvoudig is dat overigens niet, omdat de motieven van mensen zeer
uiteenlopen. De Amerikaanse onderzoekers onderscheiden heel netjes zes
verschillende redenen om vrijwilligerswerk te gaan doen: goed willen doen voor
anderen, je talenten en vaardigheden kunnen gebruiken, gezelligheid, voordelen
voor je carrière, persoonlijke ontwikkeling en ontsnappen aan je eigen
problemen. Maar de praktijk is altijd ingewikkelder. In de laatste categorie
valt bijvoorbeeld de Rode Kruismedewerker die vluchtelingen helpt omdat hij hun
lijden niet kan aanzien, maar ook de vrouw die zich op vrijwilligerswerk wilde
storten omdat ze dan niet zo aan haar net overleden man hoefde te denken. Het
werd haar overigens afgeraden, omdat ze haar eigen situatie nog niet goed had
verwerkt.
En de vrijwilligers zelf kennen hun motieven ook niet altijd
precies, of ze spreken ze niet uit. Zo is Hijink ervan overtuigd dat er een
hoop slechte huwelijken gered zijn door vrijwilligerswerk. "Dan gaat er
één lekker ergens in een bestuur zitten, en dan hebben ze verder geen last van
elkaar. Dat is niet iets wat je meteen op tafel legt. En vaak rol je ook gewoon
in een vrijwilligersbaan omdat die bij je past, bij je hoort. Dat is heel
moeilijk aan te sturen, het gaat gewoon geleidelijk.''
Volgens Hijink ontstaan veel vrijwilligersorganisaties ook op zo'n
geleidelijke manier. Er is een probleem, en mensen gaan rond de tafel zitten om
er wat aan te doen. "In Nederland zie je dat mensen dan ook meteen een
stichting oprichten, een bestuur vormen, naar de notaris gaan, statuten
opstellen. Het is hier veel georganiseerder dan in andere culturen. Sommige
talen kennen niet eens een woord voor vrijwilligerswerk, zoals ze ook geen
woord hebben voor wat wij mantelzorg noemen. Die zeggen: natúúrlijk zorg je
voor je familie als dat nodig is.'' Maar ook in Nederland beseft niet iedereen
dat het vrijwilligerswerk is wat hij of zij doet. "Iemand die in het
bestuur van een postzegelclub zit, doet dat om beter postzegels te kunnen
verzamelen niet om vrijwilliger te zijn.''
Ook bij het werven is het vaak niet zo handig om het V-woord te
gebruiken. Vooral jongeren vinden hetzelfde werk vaak leuker als het geen
vrijwilligerswerk heet. Dus worden eufemismen als 'leuke dingen doen' en
'activiteit' uit de kast gehaald. "Want het is onzin om het woord te
gebruiken als het zich tegen je keert'', vindt Hijink. "Voor de sector is
het wel belangrijk dat het vrijwilligerswerk heet. Neem Amnesty International,
die hebben als doelstelling mensenrechten te bewaken, niet vrijwilligerswerk te
bevorderen. Maar ze beseffen dat ze bij het zoeken naar mensen te maken hebben
met dezelfde dynamiek, dezelfde trends als andere organisaties.''
Tot slot, zegt Hijink, is het van belang de juiste kanalen te
kiezen bij werving. "Internet dus, voor jongeren. En we denken na over een
soapserie die zich afspeelt rond een vrijwilligersorganisatie, zodat jongeren
zich kunnen identificeren met de hoofdpersonen
Een tachtigjarige tussen peuters en
kleuters
De crèche in het asielzoekerscentrum in Drachten draait op elf
Friese vrijwilligsters. Lekker even het huis uit en mensen helpen.
|
ZE HEEFT LEKKER zitten knoeien en haar slabbetje zit vol met
restjes banaan. De anderhalf jaar oude Ilda zit tevreden op schoot bij
vrijwilligster Geertje Huismans in crèche De Toverbal van het
asielzoekerscentrum in Drachten. "Do bist sa'n skat'', zegt Geertje als ze
het Bosnische kleintje even tegen zich aandrukt. De vierjarige John uit Eritrea
probeert er met zijn plastic fototoestel een plaatje van te schieten.
Het is het etenskwartiertje in De Toverbal. De vrijwilligsters
Tiny Nuijens (68) Geertje Huismans (53) en Aatje Hut (39) zijn deze
donderdagmorgen weer present om op een stel koters te passen, van wie de ouders
naar Nederlandse les zijn. De Toverbal is een ruime crèche met een plastic
minihuis, een kleine glijbaan, een leeshoek en heel veel verschillend
speelgoed. Als de kinderen anderhalf jaar zijn, kunnen ze naar de crèche worden
gebracht. Vanmorgen zijn het er zes. Coördinator Betty de Graaf heeft de
beschikking over een ploeg van elf vrijwilligers. "Ze doen dit werk met
hart en ziel. Zonder hen konden we de kinderen niet opvangen.''
Tiny heeft de tweejarige Abel op schoot met wie ze het boekje Kijk
en voel op de boerderij leest. Wijzend op een jong paard legt ze het kleintje
uit: "Dat is een veulentje.'' "Kinderen zijn zo leuk'', zegt Tiny
verrukt. "Het gezicht van een stralend kind geeft me gewoon energie.''
Vijf jaar geleden gaf ze een ochtend naailes aan de vrouwen van het centrum.
Daarna werd ze gevraagd of ze ook vrijwilligster in De Toverbal wilde worden.
Ze aarzelde geen moment. Haar kleinkinderen van drie en vijf jaar wonen in
Overschie, dus oppasmoeder is ze niet. Ze voelt zich fit. Zwemt, fietst,
tennist, danst en wandelt veel. Maar haar vrije tijd, ze is weduwe, wil ze ook
voor een deel aan anderen wijden. Zo blijft ze actief, vindt ze.
Het werken in de crèche vindt ze niet al te inspannend.
"Druk? Helemaal niet. Mijn moeder zei vroeger al: 'Een kind dat niet
levendig is, daar is wat mee'.'' Spelletjes doen met de kinderen vindt ze
vooral leuk. "Ik leer ze versjes van vroeger. Jan Huijgen in de ton,
bijvoorbeeld. Dat is altijd een succes.''
Collega Geertje Huismans, oud-wijkverpleegkundige, is ook één van
de oudgediende oppassers. Ze las de advertentie vier jaar geleden in de krant
en reageerde. De kinderen waren de deur uit, ze wilde weer iets doen.
"Kinderen trekken me. Ze zijn gezellig en eerlijk, vooral op deze
leeftijd.'' Het leukste vindt ze om de ontwikkeling van een kindje mee te
maken. "Haweeja uit Ethiopië bijvoorbeeld is nu drie. We hebben gezien hoe
ze hier leerde lopen.'' Soms komt er een abrupt eind aan het contact met het
kind. "Het komt voor dat ze ineens zijn overgeplaatst of dat hun ouders
geen status krijgen. Dan zie je ze nooit meer en dat is best wel eens
moeilijk.''
Aatje Hut is moeder van drie kinderen van twaalf, tien en zeven
jaar. Vroeger leidde ze kindernevendiensten in de kerk. Nu haar kinderen
overdag naar school zijn, wil ze ook een ochtend voor die van anderen zorgen.
Thuis mist ze dan wat, vertelde ze haar man, die een eigen uitgeverij heeft. Ze
werkte ooit een week als invalkracht in diens zaak, maar dat beviel niet echt.
"Ik zie hem liever privé, in plaats van als baas.'' Vrijwilligster in De
Toverbal is voor haar pure ontspanning. "Ik ben lekker even het huis uit.
Het contact met de kinderen is hartstikke leuk.'' Naast het werk in de crèche,
collecteert ze voor goede doelen en fungeert ze één keer in de week, ook op
donderdag, als overblijfmoeder op de school van haar kinderen.
Mensen helpen is haar drijfveer om als vrijwilliger actief te
zijn. Aatje Hut volgde een opleiding tot secretaresse, maar ze wil (nog) geen
parttime baan. "Als vrijwilliger ben je vrijer dan in een vaste
werkkring.'' Op den duur wil ze ook eenzame bejaarden bezoeken. "Sommige
van hen krijgen nooit bezoek en hebben behoefte aan aanspraak.'' Het
vrijwilliger zijn "levert'' haar ook wat op, meent ze. "Oude mensen
hebben veel levenservaring, waar jij ook weer van kunt leren. En die dingen kun
je weer doorgeven aan je eigen kinderen.''
Wie vandaag gemist wordt in De Toverbal is vrijwilligster Gré van
der Veen-Bulthuis. Met haar 83 jaar moet ze haast wel een van de oudste
begeleidsters van crèchekinderen van ons land zijn. Gré zit thuis; haar
linkerhand in het gips. Vlak na de kerst gleed ze door de gladheid achter haar huis
uit. De vitale vrijwilligster heeft al laten weten dat ze zo snel mogelijk weer
naar haar peuters zal komen.
Vanaf het begin van de crèche is ook zij al actief als
vrijwilliger in het Drachtster asielzoekerscentrum. Ze is begaan met het lot
van vluchtelingen en kinderen liggen haar, vertelt ze. Als twintiger leidde ze
de zondagsschool. Gré van der Veen werd jong weduwe en bleef achter met twee
kleine kinderen. Ze voorzag in haar eigen levensonderhoud door onder meer
kamerverhuur en het houden van kostgangers. Toen haar beide kinderen naar de
lagere school gingen, verspreidde ze lectuur voor de kerk en ging ze op bezoek
bij ouderen in de gemeente. "Ik heb het altijd heel druk gehad'', vertelt
ze in haar woning in Drachten. "Ik heb acht kleinkinderen van wie er soms
een paar tegelijk weken bleven logeren.'' Maar "mensen helpen'' is haar
grote drijfveer. Ook op deze leeftijd wil ze graag wat voor een ander
betekenen. Dat is haar met de paplepel ingegoten. "Mijn ouders deden
altijd veel voor andere mensen. Mijn vader was een heel actieve man. Hij had
een bakkerij, maar had maar vijf uurtjes slaap nodig. In de oorlog hadden ze
onderduikers.''
Ook haar geloof maakt dat ze zich wil inzetten voor een ander.
"Ik voel me nog goed, doe mijn huishouding nog helemaal zelf, dus waarom
zou ik die energie niet ook voor een ander gebruiken?'' Vrijwilligerswerk is
niet alleen geven. Je krijgt er ook veel voor terug, onderstreept ze. "Zo
fleur ik helemaal op van die lieve kindergezichtjes. Optillen kan ik ze soms niet,
maar ik kan ze wel voorlezen of even de afwas doen.'' Betty de Graaf: "Gré
is een fantastisch mens. Ik hoop dat ze het nog heel lang volhoudt. Weet je dat
ze altijd op de fiets naar het centrum komt?'' "Ja, dat is zes kilometer',
licht Gré toe. "Het is dat ik niet met één hand durf te fietsen, anders
zou ik even bij jullie op de koffie komen.''
Bedrijfsuitjes
Vrijwilligerswerk door het bedrijfsleven is in. Immers, het is een
manier zich positief te profileren, zoals de jaarlijkse kerstinzameling voor
een goed doel dat al was. Nu moeten de werknemers zelf aan de slag. In plaats
van het jaarlijkse survivaltochtje in de Ardennen, is het mogelijk aan
teambuilding te doen tijdens het onbezoldigd opknappen van een kinderboerderij
of een uitje met verstandelijk gehandicapten.
Maatschap in Betrokkenheid (MiB) is de nobele variant op het
party- en evenementenbureau voor bedrijven. Onder het motto 'Goede Zaken'
bemiddelt zij tussen bedrijven en maatschappelijke en
vrijwilligersorganisaties. MiB kan projecten zoeken die geheel, of juist
helemaal niet te maken hebben met de aard van het bedrijf. Een dagje met de
afdeling papierprikken in een natuurgebied behoort tot de mogelijkheden, maar
de MiB kan ook zorgen voor een langduriger contact tussen instelling en
bedrijf.
Volgens MiB heeft het doen van vrijwilligerswerk grote voordelen
voor het bedrijfsleven. Werknemers maken kennis met nieuwe aspecten van de
samenleving, wat goed zou zijn voor de ontwikkeling van sociale vaardigheden.
Samen vrijwillig werken is bovendien goed voor het groepsgevoel en niet in de
laatste plaats voor het imago van het bedrijf.
Instellingen profiteren op hun beurt van specifieke professionele
kennis van het bedrijfsleven. Projecten die kampen met een tijdelijk
vrijwilligerstekort bijvoorbeeld voor een specifieke klus zijn bovendien uit de
brand na een dagje teambuilding van het bedrijfsleven.
De kosten voor een 'goed dagje uit', zoals MiB de bedrijfsuitjes
noemt, variëren van enkele honderden guldens tot duizenden voor een geheel
verzorgde dag van zo'n honderd mensen uit het bedrijfsleven.
Overigens organiseert een aantal bedrijven zelf
vrijwilligersprojecten voor het personeel. KPMG heeft een
vrijwilligersvacaturebank voor haar werknemers en Fortis het project Stimulans
(opgericht om de maatschappelijke betrokkenheid van de medewerkers te
vergroten, hun blikveld te verruimen en een bijdrage te leveren aan de 'company
pride'). Andere grote bedrijven kunnen niet achterblijven. Ook onder andere KLM
Benelux liet werknemers klussen bij een dierenasiel.
Informatie: MiB (030) 231 98 44.
Rechten en plichten
Onkosten Kosten die een vrijwilliger maakt om zijn werk
uit te voeren (telefoon-, postzegel-, reiskosten), mogen worden vergoed. Een
vrijwilligersorganisatie is dat echter niet verplicht. Voor onkosten tot 42
gulden per week (en 1.470 gulden per jaar) zijn geen bonnen nodig. Als de
gemaakte kosten hoger zijn, moet de vrijwilliger dat aan de organisatie
bewijzen door het tonen van rekeningen of vervoerbewijzen.
Een vrijwilliger kan er ook voor kiezen de onkosten als giften op
te voeren op het belastingformulier. Hij mag die kosten dan niet al eens hebben
gedeclareerd. De Belastingdienst stelt als voorwaarde dat de betrokken
instelling of vrijwilligersorganisatie 'van algemeen nut' is.
Uitkering Voor mensen met een uitkering geldt dat de
1.470 gulden-regel per gemeente verschilt. Sommige vragen ook tot dit bedrag
bonnen van de gemaakte kosten. Als de uitkeringsgerechtigde die niet over kan
leggen, telt de onkostenvergoeding als inkomen. Andere gemeenten eisen geen
bonnen tot 1.470 gulden.
Uitkeringsgerechtigden mogen vrijwilligerswerk doen, mits zij het
niet verrichten in een commercieel bedrijf. Ook mag de vrijwilliger geen
vervanging zijn van een betaalde kracht en de organiserende instelling mag geen
subsidie voor loonkosten ontvangen.
Mensen met een WW-uitkering moeten met hun vrijwilligerswerk
stoppen zodra er passend betaald werk of scholing beschikbaar is. Zij moeten
daar ook actief naar op zoek blijven en vrijwilligerswerk dat overdag plaatsheeft
melden. Die meldingsplicht geldt niet voor arbeidsongeschikten die volledig
zijn afgekeurd, maar weer wel voor WAO'ers met een gedeeltelijke uitkering.
Verzekering De organisatie waar de vrijwilliger werkt, moet
zorgen voor voldoende verzekeringen. Als een vrijwilliger schade aanricht, kan
de gedupeerde zowel de vrijwilliger als de instelling aansprakelijk stellen.
Particulieren spreken dan hun WA-verzekering aan, de instelling de
Aansprakelijkheidsverzekering Voor Bedrijven (AVB).
De Wet Bestuurdersaansprakelijkheid is alleen van toepassing op
commerciële bedrijven. Vrijwilligers in een verenigingsbestuur zijn dus niet
hoofdelijk aansprakelijk (mits er geen sprake is van fraude gepleegd door de
vrijwilliger).
Nieuwe regels Dit jaar is in Nederland een nieuw
belastingstelsel van kracht geworden. Voor vrijwilligers levert dat in de
praktijk geen veranderingen op. Het CDA heeft nog voorgesteld om een
'activiteiten'-aftrek in te voeren, maar dat voorstel is door de betrokken
bewindslieden op Financiën direct afgewezen.
Arbowet De Arbowet regelt de zorg voor veiligheid,
gezondheid en welzijn op het gebied van arbeid en geldt ook voor vrijwilligers.
Op verzoek van de NOV en het ministerie van Sociale Zaken heeft TNO twee
checklists ontwikkeld: een voor vrijwilligerswerk en een voor
sport-organisaties, beide te verkrijgen bij lokale vrijwilligerscentrales.
Nieuwe wet
Sinds 1 januari van dit jaar kunnen langdurig werklozen worden
verplicht vrijwilligerswerk te doen.
Minister Vermeend (Sociale Zaken) kwam een half jaar geleden met
het wetsvoorstel sociale activering, waarin dit is geregeld. Deze wet beoogt
moeilijk bemiddelbare werklozen (de zogenoemde fase-4 werklozen) te helpen met
het vinden van een baan. Gemeenten konden sinds de invoering van de nieuwe
algemene bijstandswet in 1996 werklozen al verplichten aan 'sociale activering'
mee te doen, zoals scholing, stages of vrijwilligerswerk. Vermeend heeft deze
verplichting nu aangescherpt.
Om er voor te zorgen dat dit ook daadwerkelijk een succes wordt,
is de sollicitatieplicht voor deelnemers aan sociale activering afgeschaft. Als
de werklozen een passend aanbod krijgen voor sociale activering dan lopen ze
bij weigering het risico op hun uitkering te worden gekort.
Er is een onderscheid gemaakt tussen sociale activering die kan
leiden tot werk en sociale activering die tot doel heeft maatschappelijk weer
enigszins mee te draaien. Voor de eerste categorie wordt de sollicitatieplicht
tijdelijk opgeheven, bij de tweede is dit vaak om sociale of medische redenen
al niet opgelegd. Naast de scherper omschreven verplichting krijgen werklozen
nu ook meer tijd om een traject met daarin bijvoorbeeld vrijwilligerswerk
succesvol af te ronden.
De nieuwe mens in het ons-tijdperk
Het ik-tijdperk is voorbij. Vrijwilligers zullen harder nodig zijn
dan ooit, betoogt sociaal filosoof Egidius Berns.
|
''STRIKT GENOMEN IS vrijwilligerswerk niet meer van deze tijd'',
zegt prof.dr. E.Berns, 61 jaar, hoogleraar sociale filosofie aan de Katholieke
Universiteit Brabant. "Kijk. We leven in een liberaal-economische
samenleving. Het liberalisme doet puur een beroep op het eigenbelang.
Vrijwilligers dienen het gemeenschappelijk belang en dat druist in tegen het
liberalisme. Voilà!''
In 1979 schreef psycholoog Christopher Lasch al over het individu,
in zijn boek The Culture of Narcism: "Hij schuwt samenwerking, koestert
antisociale impulsen en vindt diep van binnen dat regels niet op hem van
toepassing zijn.'' In 1976 doopte schrijver Tom Wolfe zijn tijd tot The Me
Decade, het ik-tijdperk: een tijd waarin traditionele, gedeelde belangen aan de
kant werden geschoven voor persoonlijke ontwikkeling en groei.
Berns: "Onze samenleving is vereconomiseerd. Elke dag wordt
de burger verteld: kom voor jezelf op! En hij heeft het begrepen: als hij iets
doet, wil hij er eerst wat voor terug. Deze economische rationaliteit knaagt
aan fundamentele waarden. Een calculerende burger is steeds minder bereid zich
voor publieke zaken in te zetten.''
Toch klinken er ook andere geluiden. In het zojuist verschenen
boek Vrijwilligerswerk Wereldwijd (een overzicht van vrijwilligerswerk in 21
landen, ter gelegenheid van het Internationaal Jaar van Vrijwilligers) staat
dat het aantal vrijwilligers toeneemt: "Vrijwilligerswerk wordt een steeds
belangrijker maatschappelijk fenomeen. In de wereld groeit namelijk het besef
dat de overheid niet alle problemen in de samenleving kan oplossen.
Vrijwilligers, dat zijn de nieuwe oren en ogen van de samenleving. Ze
signaleren nieuwe behoeften of lacunes in voorzieningen.'' De Nederlandse
Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) gaan daar in mee. "Vrijwilligers
bepalen in toenemende mate de 'gezondheid' van maatschappelijke instellingen
als zorg en welzijn'', meldt het Trendrapport Jongeren en Vrijwilligerswerk, de
Generatie @ (een uitgave van de NOV en het sVM).
Berns onderkent deze ontwikkeling. "Staatkundige instellingen
zijn aan erosie onderhevig. In het verleden was die erosie veelal toegedekt. De
hedendaagse globalisering maakt haar echter zichtbaar. Er bestaat geen
institutie meer die het grote geheel kan overzien. Wie kan ons zeggen wat ons
nog te wachten staat aan vervuiling of vluchtelingenstromen.''
Door deze ongewisheid voorspelt Berns dat groepen mensen buiten de
boot vallen en dat vrijwilligers moeten inspringen. "De verzorgingsstaat
brokkelt af. Nu al zorgt de overheid niet meer voor illegalen. Wie zullen
volgen: de etnische onderklasse, de ouderen? Steeds meer mensen zullen
afhankelijk worden van de hulp van vrijwilligers. Vrijwilligers zullen de
nieuwe uitvoerders van de Werken van Barmhartigheid worden.''
Maar waar wil Berns de benodigde vrijwilligers vandaan toveren? De
filosoof blijkt toch geen cultuurpessimist. "Tussen een kwart en eenderde
van de volwassen bevolking besteedt zo'n vijf uur per week aan
vrijwilligerswerk, vergeet dat niet.''
Berns voorziet een cultuuromslag. "Er zijn tekenen dat het
overspannen individualisme op zijn laatste benen loopt. Er is een grens aan
genot en die heet verveling. Als in een land eenmaal een bepaalde drempel van
welzijn is bereikt, dan komt het welbevinden los te staan van de extra
bezittingen die gekocht zijn.''
Volgens Berns schuilt de zin van het leven niet meer in de grote
auto, maar in het menselijke detail. "Zingeving, zorg voor je omgeving
worden belangrijk. Uit deze innerlijke behoefte kan een nieuwe gemeenschapszin
ontstaan.''
Exponent van deze cultuuromslag zou Rutger van Dijk kunnen zijn,
directeur van de Coca-Cola-vestiging in Arnhem. Vorig jaar bezocht hij een van
de drie 'buitenscholen' van Arnhem: scholen waar 450 kinderen met ernstige,
soms levensbedreigende ziekten les krijgen. Hij was ontzet over de erbarmelijke
staat van de school. "De school was brandgevaarlijk, sterk verwaarloosd,
zelfs het speelpleintje was opgebroken en nooit afgemaakt.'' Na beraad met zijn
superieur in Rotterdam besloot Van Dijk een video te maken over de school. Met
de video ging hij gala's af ("Emotie verkoopt nu eenmaal.'') en sprokkelde
genoeg geld bij elkaar voor een grondige renovatie.
"Het zien van lachende kindergezichtjes geeft veel meer
voldoening dan het verkopen van cola'', aldus de directeur. Maar daarbij draagt
hij ook de filosofie van zijn bedrijf uit. "Onze winst halen we uit de
samenleving, dus een deel moet daarin weer terugvloeien, vinden we. Zo vraag ik
werknemers ook projecten voor het Vrijwilligersfonds te bedenken. Dit jaar
schenken we als extraatje enkele tonnen aan vrijwilligersprojecten.''
Van Dijk blijft ondernemer in hart en nieren ("Nederlanders
moeten 40 procent meer cola gaan drinken''), maar: "Ik zou zo met 60
procent minder luxe leven.''
"Ziedaar het ons-tijdperk'', zegt filosoof Berns
triomfantelijk. "Het ik-tijdperk is voorbij. De verantwoordelijkheid ligt
niet meer bij mij, ook niet bij hen, maar bij ons.''
Het lijkt niet meer dan logisch. "Zelfontplooiing is niet
mogelijk zonder de waardering van anderen. We willen een geliefd en interessant
mens zijn. Die status is alleen te bereiken als we rekening houden met
anderen.''